Voedsel en insuline moeten uitgebalanceerd gegeven worden: voldoende insuline (en niet meer) voor een bepaalde hoeveelheid voedsel.
Het glucosegehalte verhoogt slechts tijdelijk na de opname van voedsel, en houdt zeker niet zolang aan als de werking van insuline. De kat moet dus op regelmatige tijdstippen eten, en moeilijke eters kunnen een probleem vormen.
Heeft je kat ook andere gezondheidsproblemen zoals nier-, lever- of darmaandoeningen, urinekristallen of allergieën, stem dan het dieet vooral op deze problemen af.
Belangrijk is dat overgewicht gecontroleerd wordt.
Verander je het dieet van je kat, doe dit dan geleidelijk en hou de glucosespiegels in het oog door middel van een minicurve, zodat je nooit teveel insuline geeft. Teveel insuline kan dodelijk zijn.
|