Om de effectiviteit van de toegediende insuline te bepalen, moet je de bloedglucosespiegel meten. Dit kan min of meer nauwkeurig met een glucometer bepaald worden, of bij benadering aan de hand van de wateropname of de aanwezigheid van glucose in de urine.
Het is belangrijk dat het testen in alle rust kan gebeuren, want stress geeft sterk verhoogde glucosespiegels die de test waardeloos of zelfs onmogelijk maken.
Ben je net begonnen met insulinetherapie, dan beschik je over een paar dagen waarop je niet per se hoeft te testen. Waarschijnlijk krijgt je kat een lage dosis (de aanvangsdosis bedraagt meestal 0,25 tot 0,50 eenheden per kg lichaamsgewicht, tweemaal per dag) waarbij er nog maar weinig gevaar voor hypoglycemie is. Bovendien duurt het een aantal dagen vooraleer de insuline echt effectief wordt en heeft het dan ook weinig zin om tijdens deze periode al te gaan testen.
Gebruik dus deze periode om jezelf en je kat aan het testmateriaal te wennen .
|