|
Bij mensen wordt type-2 diabetes, die het meest voorkomt, behandeld met dieet, lichaamsbeweging en orale glucoseverlagende medicatie.
Er zijn verschillende groepen van deze medicatie:
- sulphonylurea: stimuleren de beta-cellen. Als het glucosegehalte onvoldoende vermindert, kan de voortdurende hyperglycemie leiden tot aanhoudend verlies van deze beta-cellen. Deze middelen kunnen ook leiden tot amyloid-afzetting in de pancreas, waardoor de beta-cellen nog verder afsterven.
- alfa-glucosidase inhibitoren: verminderen de absorptie van glucose in de darm en zijn meestal niet effectief bij de behandeling van kattendiabetes alleen maar kunnen samen met insuline gebruikt worden.
- biguaniden en thiozolidinediones: verhogen de gevoeligheid voor insuline. Hun voornaamste effect is de vermindering van de insulineresistentie en het verhogen van de glucose-opname in spiercellen. Er zijn echter nog geen bewijzen over hun werking bij katten.
Een aantal katten waarbij de beta-cellen nog functioneel zijn, zou op deze wijze kunnen geholpen worden, maar de controle van de diabetes is nooit zo goed als met insulinetherapie.
Bovendien is het moeilijker om katten een pil te geven dan een injectie!
Deze middelen zijn in elk geval tegenaangewezen bij katten die lijden aan keto-acidose of anorexie, waar zo snel mogelijk een insulinetherapie dient ingesteld te worden.
Op termijn zou deze orale medicatie ook minder effectief worden, door verder verlies van beta-cellen.
Aangezien het bij katten praktisch niet mogelijk is om het verschil te maken tussen type-1 en type-2 diabetes, zijn de orale hypoglycemiërende middelen dan ook niet de aangewezen therapie.
|