Elke kat reageert anders op insuline, zodat type en dosering voor elke kat individueel dient te worden bepaald.
Naargelang het type begint de werking van insuline zo'n 1 à 2 uur na toediening (behalve de snelwerkende), om een piekactiviteit te bereiken na een 4-tal uur. Na 8 à 10 uur is de insuline meestal uitgewerkt.
De dosering van insuline moet nauwkeurig bepaald worden. Teveel insuline zorgt ervoor dat teveel bloedglucose verbruikt wordt en geeft een te laag bloedglucosegehalte of hypoglycemie. Dit is een gevaarlijke toestand die dodelijk voor je kat kan zijn. Lees dus meer over hypoglycemie en hoe ze te herkennen en behandelen vooraleer je met insulinetoedieningen begint.
Bij een te lage dosering van insuline worden nooit een bloedglucosespiegel van 120 à 200 mg/dl (7 à 13 mmol/l) bekomen, nodig om de klinische symptomen toe doen verdwijnen.
De insulinetherapie wordt meestal met een lage dosis ingezet, om dan langzaam en geleidelijk verhoogd te worden tot een bloedglucosespiegel van minder van 200 mg/dl bereikt wordt. Ideaal is een bloedglucosespiegel tussen 100 en 200 mg/dl.
Zodra dit het geval is en de klassieke symptomen verdwijnen, is de kat "gestabiliseerd". Je kan je dan beperken tot sporadisch testen. Eer het zover is, zijn er meestal al verschillende weken tot maanden verstreken. Gezien het praktisch en financieel niet aangewezen is daarvoor telkens een beroep op de dierenarts te doen, wat bovendien stresserend is voor je kat, is het aangewezen thuis zelf te testen en de dosering te bepalen.
Ook als je kat al geruime tijd "gestabiliseerd" is en dezelfde dosis krijgt, kan het af en toe nodig zijn om te testen. Bij de meeste katten moet de dosis na verloop van tijd wat aangepast worden; soms kan er sprake zijn van remissie; soms wil je op veilig spelen als je kat bijv. minder eetlust heeft of last heeft van braken of diarrhee..., of heb je een vermoeden van hypoglycemie.
|