|
| Diabetes | Behandeling | Voeding | Risico's |
| Een curve opstellen De dosis aanpassen Regeling Remissie | Een typische begingrafiek bij de kat, bijvoorbeeld 1 week na het begin van de insulinetoediening, ziet er zo uit:
Het aanvangsglucosegehalte is hoog, zakt wat na een paar uur zonder ooit onder de grens van 200 mg/dl te zakken en vervolgens weer naar omhoog te gaan. De dosis insuline moet dus verhoogd worden. Stel dat je na een aantal weken volgende situatie krijgt:
Het aanvangsglucosegehalte is hoog, begint na een paar uur te zakken om na een viertal uur onder de grens van 200 mg/dl te zakken. Piekwerking volgt nog een paar uur later, om vervolgens na een achttal uur weer boven de 200 mg/dl te stijgen. Tijdens één cyclus ligt het glucosegehalte dus slechts gedurende een viertal uren onder de beoogde grens van 200 mg/dl, om vervolgens weer snel te pieken. Een nog hogere dosis insuline lost het probleem niet op. Je krijgt geen langere nuttige werkingsduur, wel meer uitgesproken pieken en dalen, met een verhoogd risico op hypoglycemie. Wat zijn dan de mogelijkheden:
Niet alle types insuline kunnen evenwel gemengd worden, zo mag je Caninsulin niet met andere insulines mengen en moet je 2 aparte injecties geven als je ze alletwee wil toedienen. Verander je van type of combineer je 2 types, dan moet je weer van een lagere aanvangsdosis vertrekken (bijv. de helft) en begint het testen opnieuw. Meestal is er weinig verschil in werking tussen de verschillende traagwerkende insulines. De afgelopen jaren zijn er nieuwe ultralangwerkende syntetische insuline-analogen op de markt gebracht, o.a. Lantus (glargine insuline), dat bij mensen gepromoot wordt als “piekloze” insuline. Een voorbeeld van een glucosecurve met een kat behandeld met Lantus:
Als begindosis neem je 0,5 U/kg 2 x per dag als de aanvangsglucose hoger dan 360 mg/dl is, 0,25 U/kg als die lager dan 360 mg/dl is.
|
| © 2006 Meadows |